Vanmorgen zaten we om negen uur gepikt en gesteven in de auto om in een overvolle super boodschappen te doen. Karrevrachten vol laveerden om ons heen. Pasen wordt inderdaad groots gevierd. Naast onze Agaath stond een busje met een Nederlands kenteken. Dat zie je hier niet vaak. De Nederlanders die er wonen hebben allemaal een Hongaars nummerbord.
Vandaag is het de sterfdag van mijn moeder en ter ere daarvan een fragment uit haar dagboek en een herinnering
Op zondag 21 juli 1985 schreef mijn moeder in haar dagboek:‘(…).Koffie en een mis voor de scheepvaart op België, met daar muziek en vendels en dat alles op ’t strand van Blankenberge. Ton en Marijke, soeptijd, Pa brood met ossenworst. Marijke en Moe gaan wandelen met de jongens. Raar weer, zon, regen, dreiging, harde wind, koud, felle zon, heet. De heren zaten aan een pilsje, moe zet koffie. Ton moet half vijf werken, dus om drie uur huiswaarts. Moe doet de vaat en leest en puzzelt. Pa zit te zitten.(…)’
De zondagse loomheid vloeide uit haar pen. Iedereen was verder op vakantie en de afwisseling bleef bij dat ene bezoek van mijn zus en haar gezin. Zondag betekende haar hele leven lang in het middaguur, als de trek begon te komen, soep, heerlijke zelf getrokken kippensoep of verse tomaten of groentesoep met eigenhandig gedraaide balletjes. Kom daar nu nog maar eens om. Soep kreeg betekenis door haar vele vermeende eigenschappen. Het stilde de trek en wekte de eetlust op, het was heilzaam en helend en het werd ook gezien als troostend bij ziekte of malaise. Het hele huis ademde soep, omdat het trekken van de kip al de dag ervoor gebeurde. Afzuigkappen waren er niet toen ik klein was. Wat je rook was wat je at, zo simpel lag dat.
Het kon problemen opleveren bij spruitjes, kool en oliebollen. Dan bleef de zware lucht lang hangen en hielp er geen lieve vadertje of moedertje meer aan, zelfs niet met het openzetten van de keukendeur. Koollucht in de gordijnen, we raakten er aan gewend, net als de grauwe rook die mijn vader erin joeg. Bovendien stonk de benenkluiffabriek vele malen erger. Je kon het inderdaad beter afwegen aan iets wat heftiger was. Dan werd het fait accompli lichter om te dragen.
Vroeger stonden de potten en pannen veel langer op het vuur. Postelein, spinazie en bloemkool werden drassig doorgekookt. Spinazie bleef bitter tot de fijngeschuurde beschuiten en de verkruimelde hardgekookte eieren dat wegnamen. Bovendien was alles te prakken met de aardappelen, smeuïg te roeren met de jus en ging er in een erger geval ook nog een flinke schep appelmoes overheen. Aan alles viel een mouw te passen en mijn moeder was niet voor een kleintje vervaart. Bovendien was er uiteindelijk altijd mijn vader nog, die alleen al door er te zijn, er voor zorgde dat de borden leeg kwamen. Je keek wel linker uit om hommeles te riskeren.

Wij werden wel behendig en gewiekst en zorgden ervoor dat de, in onze optiek, meest vieze dingen via het afzuigertje onder de tafel verdwenen. Bobby was een onbestendig hondje, een vuilnisbakkenras en een grote omnivoor. Om die hachelijke onderneming ongemerkt te doen, moest je je gezicht in een onschuldige plooi houden en stoïcijns zogenaamd aan je sok krabben, waarbij je duimde dat onze kameraad in bange uren, niet in een tevreden gesmak uitbarstte. Kluiven konden niet, want die hadden ons subiet verraden, omdat Bobby ze met veel gekraak versplinterde. Bij mijn moeders soep hadden we hem niet nodig en vochten we zelf om de balletjes.
Als mijn moeder op maandag de restjessoep serveerde vond ik dat eeuwig zonde, omdat daar alles was ingegaan wat van de zondag restte, tot aan de bloemkool toe. Dat was echt niet lekker, maar moest op tot de laatste snik. Twee smekende ogen keken ons aan vanonder het tafelzeil, maar ja, soep lepelen aan de hond was vragen om moeilijkheden. Dus aten we braaf, een tikje meesmuilend, de soep en wenste ik dat het zondag was. De enige echte soepdag!
Dat verhaal is wél veel soeps. Prachtig
LikeGeliked door 1 persoon
Haha
LikeGeliked door 1 persoon