Na de garage was het ziekenhuis aan de beurt. Naar de longpoli. Sinds een deel van de garage van het Antonius is ingestort, zijn er nog wel parkeerplekken in de buurt te vinden als je de weg weet, bovendien is het goedkoper dan Truus te moeten stallen in de parkeergarage bij het theater of het stadhuis, zoals het advies luidt.
Er waren veel stoelen met wachtende mensen. De receptioniste had heel wat uit te leggen aan een familie, die kennelijk voor het eerst was, voordat ze mij te woord kon staan. Het was nog vroeg, dus het zou mijn tijd wel duren. Veel echtparen, dan schoot het ook lekker op. Door mijn hoofd speelde het bericht dat Dieuwertje Blok overleden was. Eigenlijk iemand die je tegen beter weten in voor een soort van onsterfelijk had gehouden, of op z’n minst een eeuwige jeugd had toebedacht. Ze is de meest aimabele persoon van de media, wat mij betreft. Veel te jong gestorven met haar sprankelende levendigheid en haar 67 jaar. Ik speur naar mooie herinneringen aan haar en kom uit bij het boek Dragelijke lichtheid, dat ze geschreven en samengesteld heeft uit een dagboek van haar moeder uit 1939 en aantekeningen uit 1941. Als Joods meisje heeft ze twee jaar in een kast ondergedoken gezeten. Niet alleen kon Dieuwertje in haar moeders hoofd kijken maar was het ook een bron van herkenning. Ze ontdekte gemeenschappelijke kenmerken, bijvoorbeeld ‘een licht ontvlambaar hart’. Er zijn 24 bladzijden inkijkexemplaar te vinden en die geven een goed beeld van het boek.
‘Van het concert des levens krijgt niemand een program’ spookt het verleden mee. Nee, absoluut waar. We hebben het maar te nemen.
Je onthoudt ook de gekste dingen, bedacht ik me, hoe kom ik nou weer aan die spreuk. Niet een die je regelmatig thuis hoorde. Zo gelovig waren we nou ook weer niet. Terwijl ik daar over verder peinsde, observeerde ik de mensen om me heen. De blik van een meneer aan de overkant bleef langdurig hangen op mijn zwarte kloffies, formaat doorstappen. Zijn vrouw droeg flatjes. Tja, dat was andere koek. ‘Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is, mijnheer’. Ik werd opgeroepen en liep achter de jonge vrouw aan naar een van de kamers. Gelukkig niet de cabine, dacht ik toen ik alleen de stoel zag staan. Met drie verschillende oefeningen zou ik met een kwartier weer buiten staan. Knijper op mijn neus, om het bit heen de lippen sluiten en blazen maar, in of uit afhankelijk van de opdracht. Tikkeltje ongemakkelijk, maar verder geen probleem. Woensdag een telefonisch consult met de longarts.. Dat is afdoende.
Naar huis om het gebit grondig te poetsen voordat het tijd zou zijn om bij de tandarts aan te bellen. Druk dagje vandaag. Het duurde wat langer eer ik naar binnen kon, maar doorgaans sta ik ook zo weer buiten. Een zwabberkontje noemt ze de kroon rechtsonder die een tikje wiebelt, maar het nog altijd prima houdt. Tevreden keer ik huiswaarts. Ziezo, rust in de tent.

Vanavond neem ik officieel afscheid van het blad Mensenkinderen. Dat was er nog steeds niet van gekomen door het heen en weer reizen. Om dan te proberen de neuzen dezelfde kant op te krijgen is geen sinecure. Het is fijn om het goed af te sluiten. Vaak mis ik het schrijven van de recensies en het lezen van de kinderboeken zelf, maar tijd speelt me parten. Wel heb ik vorige week natuurlijk het nieuwe boek van Annet Schaap op voorhand besteld. Zes maart komt het uit. Ik kan niet wachten.
De eerste bij is gespot op de blauwe druiven, de zon draait de weemoed binnenstebuiten. Lente in alles wat groeit en bloeit. Tijd om te gaan genieten. Inderdaad, de dragelijke lichtheid van het bestaan.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.