Lief was gisteren jarig en als cadeautje stond ik net zo vroeg op als hij om zijn ochtendwandeling mee te lopen. Verguld was hij ermee. Ik had mijn hoge kloffen aangedaan want na het bos achter de Datsja hebben we nog een aan de natuur gelaten stuk land met een klein bos erachter en dan de landweg. Over de landweg heen liepen we naar het uiteinde van het dorp. Zover als ik aankon. Dat viel in de frisse ochtendlucht niet tegen en dankzij de opkomende zon, glinsterde ons vanuit de berm extra schoonheid tegemoet in de vorm van leeuwebekken, gulden roede, wilde munt, cichorei en duizendknoop in volle bloei. De meegenomen koffiekoppen stalden we leeg aan het eind van ons stuk land om ze later weer te kunnen ophalen.
De oude maisplanten met hun diep okergele kleuren glansden in het zonlicht, het Mecsek-gebergte had die prachtige grijs-blauwe kleur van nevel. Als iets het perfecte plaatje moest zijn, dan was het dit wel.
Vriend kwam langs om naar de goot van de Datsja te kijken, die wat stormschade scheen te hebben. De bomen aan de achterkant hadden met hun takken waarschijnlijk de sintels opgeschoven. Het lekte nog niet, maar er moet wel snel wat aangedaan worden. Nu moet eerst de spaanplaat eronder weer drogen.

Koffie, ochtendrituelen en op pad binnendoor naar de wijnberg en het huisje van vriendinlief, die nog twee bamboestoelen voor ons heeft en de fiets. Om te weten hoe lief straks terug moet fietsen gingen we binnendoor de berg op. We waren al eens op de bonnefooi een poesta opgereden, maar dit sloeg alles. Over de meest onmogelijke paden en verstuivingen heen, door ruige bossen, langs stapels gekapte woudreuzen en zelfs dwars over de poesta heen zochten we ons een weg. Arme witte Truus zwoegde zich over de onverharde wegen, door het stof en over kuilen en keien heen, een dikke wolk stof achter zich aan sliertend. Saharazand was er niets bij. Ze kwam er heelhuids uit tot onze grote opluchting, maar ik moest wel een aantal aanzienlijke meters achteruit over een bonkige en gekuilde zandweg rijden, omdat er niet te draaien viel. Ook dat ging goed. Het onmetelijke uitzicht, de doodse stilte, de ongelooflijke leegheid van het bestaan met die strakblauwe lucht erboven was de beloning, maar het dorp bleef een brug te ver. Uiteindelijk reden we over de vertrouwde 6 naar haar huis toe en veegden Truus zo goed en zo kwaad als het kon, een beetje schoon. Ze was zo geel als haar eigen nummerborden. De overwinning was de verbetenheid waarmee ik alles op alles had gezet om weer op een geasfalteerde weg te komen. Daar vind ik mijn vader in mij terug. Niet de moed laten zakken maar ‘ik moet en ik zal’, kiezen op elkaar en gaan met die banaan.
Het huisje zag er nog verlatener uit, nu de ziel eruit was. De stoelen pasten in de achterbank-vrije laadbak en Lief reed de fiets naar de weg, om daar voorzichtig weg te fietsen, terwijl ik Truus terug reed naar onze veilige haven. Wat een avontuur hadden we achter de rug. Buiten wat roofvogels en een paar fazanten zagen we geen grotere dieren. Die bleven wijselijk verstopt, maar de immense natuur bleef imponerend.
Ik wilde net bij het hek gaan zitten om lief op te wachten, toen hij er aan kwam fietsen, stralend en wel. 74 jaar jong en blozend. Mijlpalen halen is zo mooi. En als je ouder wordt, is elk jaar er een.
Een mooi verjaardagscadeau, samen zijn en samen genieten. Proficiat aan de jarige.
LikeLike
Ga ik doen, dank Lieve. Het was een heerlijke dag.
LikeLike