Vannacht schoof ineens een passend cadeau voor lief tussen alle overpeinzingen. Niet dat ik het nu al vertel. Wat een wonderlijke gedachten kunnen je bezighouden. Soms volkomen uit het niets. Zijn verjaardag is nog minstens twee weken weg. Je kunt nooit te vroeg jezelf met goede ideeën belasten. De keuze wordt dan makkelijker.
Een kennis van lief appte plotseling. Ze zou haar wijnhuisje in een dorp verderop vanuit Nederland bezoeken en vroeg zich af of het leuk was om elkaar te ontmoeten. Altijd leuk. Het duurt nog even voor ze aankomt, want ze reist per trein. Dat doet ze al een aantal jaar zo schijnt het. Nieuwe mensen ontmoeten is altijd leuk.

Vandaag, op deze uitdag, blijven we dichter bij huis. We gaan Szigetvar wat beter verkennen. Er is een pracht theater, een plein waar in de vakantie vaak rockconcerten worden gegeven. De burcht hebben we met de kleinkinderen bezocht toen ze hier waren. Het park is altijd de moeite waard om door te wandelen, alleen wordt het tegen de middag 30 graden. Een temperatuurtje om rekening mee te houden.
Gisteren liet de wateroplosbare olieverf zich zonder water en met een medium prima uitsmeren over het al bestaande doek met authentieke olieverf van de vier zussen. Nog altijd een hele klus. Wel leuk om te doen natuurlijk. Inspiratie was het mooie kunstencentrum in Pécs. Er schijnt zelfs een museumstraat te zijn. Zou het te vergelijken zijn met de mall in Washington. Dat uitstapje bewaren we voor volgende week. Lief dacht dat Bobeta pop betekende en dus namen we aan dat er een poppenmuseum was in het Zsolnay cultuurcentrum. Maar dat bleek niet zo te zijn. Het woord bestaat zelfs niet in het Hongaars, maar het is vermoedelijk een samentrekking van de beginletters. Pop komt er niet in voor. Pop is Bab.
In de biografie van Piet van Eeghen wordt de armoede duidelijk die er twee eeuwen geleden heerste in Amsterdam en andere steden. Als je meeloopt in het Amsterdam van nu, kom je op plekken waarvan je je afvraagt hoe het in godsnaam mogelijk was, dat mensen zo dicht op elkaar leefden zonder de in onze ogen normaalste voorzieningen als licht, water en wc. Men gebruikte toen vaak nog een schijtton en de kamertjes waren vaak nog zonder ramen. Denk de lucht erbij die in het bedompte hok moet hangen en je weet al wat er aan ziektes en ongein heerste. Te bedenken dat de allerrijksten in panden woonden van 800 vierkante meter of nog meer. Dankzij die allerrijksten ging het bestuur van de stad en de ovverheid eindelijk wel overstag om mee te gaan in de vaart der volkeren en een eigen woningbouwvereniging op te richten.
Straks stort hij zich op de aanleg van het Vondelpark. In Utrecht was er de familie van Kol, die het Julianapark door Copijn, de park en landschapsarchitect, liet aan leggen, met de vraag of de gemeente het onderhoud zou willen bekostigen. Het zou nog uitgebreid worden met het gebied van het werkspoor. Maar men verweet hem onder de kosten van het onderhoud uit te willen komen en trok dat laatste aanbod in. In 1928 werd het door de erfgenamen aan de gemeente Utrecht verkocht en in 1935 werd het park uitgebreid en kreeg het zijn huidige naam. Dat het een gouden plek was voor de arbeidersgezinnen rondom het park wist mijn moeder aardig te benutten. Er werden er heel wat uurtjes doorgebracht, hetzij met de oppas, hetzij met mijn moeder zelf. En altijd mochten we even op het hobbelpaard, vlak bij de ingang en altijd als het goed weer was en warm genoeg pootje baden in het pierenbadje bij Beer, die dankbaar om de aandacht het water uit zijn bek spoot. Dubbele pret.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.