Jottem. Eindelijk regen. Nog niet in grote getale, maar de eerste buitjes zijn alweer achter de rug. De zon doet verwoede pogingen door het grijze dek heen te breken. Met succes af en toe. De verwachting is dat er nog veel meer nattigheid valt. De bomen ogen onmiddellijk groener en frisser, maar dat zal het verlangen zijn, dat zich in mij genesteld heeft. De bomen zijn taai. Ze zijn gewend om diep de grond in te moeten op zoek naar water. Dat komt hun onderlinge netwerk alleen maar ten goede leerde mij een van de plantenboeken die ik vorig jaar gelezen heb.
De vraag van zoonlief behelst mijn baantjes van het verleden en nu, incluis het vrijwilligerswerk. Soms haal ik de chronologische volgorde door elkaar, maar de verschillende banen weet ik allemaal nog. Als puber werden we geacht ons eigen zakgeld te verdienen. Er was geen geld om ieder te voorzien van een extra maandelijkse of wekelijkse bijlage. Dus stapte ik als veertien of vijftienjarige met trillende benen en een onrustig gemoed op mijnheer Heijmans van de Spar af op het gloednieuwe grote winkelcentrum in Overvecht en vroeg of hij nog mensen kon gebruiken. Daar begon mijn glorieuze carrière. Ervaring mocht ik opdoen op elke afdeling, groenten, brood, slagerij, uitbenen incluis, en als laatste op de kassa, wat lastiger was dan nu want je moest razendsnel uit je hoofd leren tellen. Rekenen was al nooit mijn beste vak. Aan het eind van de dag moest het saldo kloppend zijn. Dan stond je met bevend hart voor de baas, als er toch een verschil bleek te zijn. Later mocht ik ook één zomer het campingwinkeltje aan de camping in de Lage Vuursche runnen. Dat was feest. Ik voelde me een echte filiaalhouder.
Supertrots was ik toen ik met een zak appelen in de Spar mocht poseren voor het reclame-krantje in de huis-aan-huis-bladen. A star was born.
Daarna zou ik op gaan passen bij de poelier aan de Vleutense weg. De bedoeling was dat ik zowel op de kinderen zou passen met een zaterdagse bad incluis, het huis schoon zou houden, zou koken, op de winkel zou passen in de tijden dat het gezin aan tafel zat, de zaterdagse boodschappen zou doen in de Kanaalstraat en vervolgens de winkel zou opruimen en schoonmaken, die enorme, verschrikkelijk aangekoekte, kippengril incluis en dat alles voor de somma van 25 gulden. Ruim tien uur werk. Van mijnheer, die vriendelijker was dan zijn vrouw, kreeg ik dan wel een zak kippenvleugeltjes en maagjes mee, waar mijn moeder weinig anders mee kon dan soep trekken, maar de vader van een van mijn vrienden kon er geweldige mooie aspics van maken. Oeverloos geduld moest je hebben om vet, vel en vlees van de botjes af te schrapen.
Toen er getornd werd aan mijn vakantiewensen, nam ik ontslag en ging werken in de automatiek aan het Willem van Noortplein. Dat was, denk ik wel, de leukste baan. Je mocht eten zoveel als je wilde en dat was na een week patat met klodders verse mayonaise al snel klaar. De oude baas had zelf een slagerij ernaast en daarnaast was hij ook de eigenaar van de drogisterij. Wat niemand wist was dat je op de zolder van het pand in alle twee de winkels kon komen.
Omdat hij niet tegen de lucht van spiritus kon, begonnen we de slagerij daarmee al om vier schoon te maken. Dan vluchtte hij naar zijn huis, verderop aan het plein en hadden we het rijk alleen samen met Jan, de slagersknecht. Het was hard werken maar gezellig en we tarten de zuinigheid van de oude baas, door een schepje extra frieten op de puntzak te gooien en ook werd de trekker van de mayonaisehouder twee keer overgehaald. Klanten moet je verwennen niet waar.
Dan waren dit nog maar de puberbaantjes de eerste drie jaar van mijn werkzame leven. Dankzij het grote gezin thuis had ik wel leren aanpakken en dat werd niet altijd als loon naar werken gewaardeerd. Bovendien zocht ik de afwisseling, ook om zoveel mogelijk te leren met de gedachte in het achterhoofd, als je het niet probeert, leer je het nooit. Een gouden stelregel.