De vijg gonst van leven. Letterlijk en figuurlijk. Er komen nog wel een paar potten jam vanaf. Gisteren was het nog een rustdag omdat het 32 graden beloofde te worden. Bovendien wilde ik verder aan het doek werken. Het spiegelbeeld was moeilijk. Het ging niet zoals ik me wenste. Dan brengt een gordijn uitkomst natuurlijk. Nog niet helemaal klaar, maar toch vordert het gestaag.
Zuslief heeft op de cruise die ze aan het maken was, covid opgelopen. Een hoofd vol watten. Zwager ook, maar die was eerder begonnen en al weer bijna klaar. Zo’n schip met al die mensen op elkaar gepakt wil wel, natuurlijk. Hier horen we er niet over. Maar dat is niet zo vreemd. We lezen geen Hongaarse kranten.

Gisteren had ik mijn agent van de auto aan de lijn. Eigenlijk waarschuwde Truus dat ze een onderhoudsbeurt nodig had, maar wat zoon al vermoedde en ik nu zeker weet, is dat het in deze staat van de auto nog niets uitmaakt of dat pas over een paar duizend kilometer meer gebeurt. Op aanraden van de man heb ik wel alvast een afspraak geboekt voor november en heb ik weer een vaste garage. Altijd fijner.
Ik zit voor het eerst met een sweater aan buiten. Tot gisteren kon dat nog een korte mouw zijn, maar nu had ik er zelfs een wollen sjaal bij nodig om te genieten van de opkomende zon en het toch warm te hebben. Nu tegen achten breekt ze goed door en kan er weer wat uit. Herfst in aantocht, dan wordt het hier op de tuin met al haar bomen extra mooi.
In een van mijn oude Groene Amsterdammers haalt de Opheffer de zolderkamergesprekken uit de jaren zeventig aan met de vraag: ‘Wat is nou literatuur. Als Nabokov literatuur is kan Annie M.G. Schmidt het dan ook zijn. Waarom wel en waarom niet? Staat Nabokov hoger dan Schmidt? Of is dat onzin?’
Jaren later interviewde hij Annie, die als antwoord het volgende zei: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een dienstmeisje ben met zo’n schort voor en dat ik even binnen mag komen en dat de hoge heren aan tafel zeggen: Goed gedaan, Annie. En dat ik dan een knicksje maak en dien te vertrekken’.
Hoe herkenbaar wat Annie daar omschrijft. Zo werd er neergekeken op kinderboeken en werden boeken, door vrouwen geschreven, al snel veroordeeld tot de ‘damesromannetjes’, het badinerende verkleinwoord incluis. Waanzin ten top naar mijn bescheiden mening en achteraf gezien volkomen achterhaald. We mogen ons gelukkig prijzen dat jeugdliteratuur steeds vaker de plek krijgt dat het verdient, dat auteurs genoemd worden en dat sekse er steeds minder toedoet bij het predikaat goed boek. Het criterium zou moeten zijn: Word ik geraakt door het boek, het verhaal, de taal, de poetische omschrijvingen? Dan mag je het verheffen tot literatuur, al was het alleen al om wat het voor jou betekend heeft. En juist jeugdliteratuur is zo belangrijk omdat het als eerste vormend is voor de modus waardoor je blijft lezen.
De verkorte versie van de vraag van zoonlief vandaag is: ‘Waarin lijken we op jou en waarin op papa?.
Die is een stuk makkelijker te beantwoorden dan de vraag van gisteren. Die heb ik in de middag in de Datsja voor het open raam, in de vredige rust van de tuin, uitgebreid uitgeschreven en hier en daar een traan weggepinkt. Het diende zich trouwens vanzelf aan. Het lijkt bij de vragen van zoonlief wel alsof mijn vingers op het toetsenbord van de ipad een volstrekt eigen leven leiden. De stroom aan woorden is niet te stoppen. Het moet eruit. Zoals vroeger. ‘Tot de pen was leeggeschreven.’ Met dank aan Annie, die haar woordenschat heeft gedeeld met ons en waardoor we zo in staat zijn om handen en voeten te geven aan al wat in ons broedt en leeft.
Schrijf je de antwoorden op de vraag van zoon naar al je kinderen of enkel naar hem toe?
LikeGeliked door 1 persoon
Aan allen Lieve, hij gaat het voor iedereen bundelen❤️
LikeGeliked door 1 persoon