Het beloofde een mooie dag te worden. Zou het zo warm en zonnig zijn als de dag daarvoor. Toen smoorde ik ‘s middags weg onder mijn zorgvuldig uitgekozen outfit in de vroege ochtend. ‘Laagjes, laagjes,’ fluisterde mijn moeder. Dat dan maar.
Onder een bewolkte hemel, de mooiste luchten zijn hier te aanschouwen, zelfs in grijstonen, reden we naar Otterloo. Daar was het Kröller-Muller museum, een uitgelezen combinatie om te kunnen wandelen, fietsen en kunst en schoonheid te aanschouwen. Er waren meer mensen op het idee gekomen, getuige de overvolle parkeerplaats, waar net een stel bezig was hun boeltje in te pakken. Daar schoof Truusje de vrije parkeerplaats binnen. Gelukt. Een flinke rij bij de kassa, omdat we nog kaartjes voor het Nationale Park de Veluwe moesten kopen en de mededeling dat alle witte fietsen vergeven waren. Dat werd dan het eerste gedeelte wandelen richting museum. Het was al met al toch een stief kwartier lopen. Ik kweek deze week wandelkuiten. Smalle bospaadjes met tientallen sparrenappels in de zanderige grond kronkelden naar de begeerde plek.

Daar waren banken aan het begin waarop even uit te blazen viel, recht tegenover Meneer Jaqcues van Oswald Wenckenbach. De broer van dit heertje, ‘de Spoetnikkijker’ staat, bijna identiek, met hondje op het Servaasbolwerk in Utrecht. Leuk om hem hier ook te zien.
De rij voor de ingang was kort, maar door al het brede glaswerk zag ik al dat het spitsroeden lopen zou worden met al die mensen. Maar ja, zondag, vakantie, veel natuur, een beeldentuin en redelijk weer, dat moet wel aantrekkelijk zijn voor velen. Toch lukte het om af en toe in een van de tentoonstellingsruimtes op een bank te wachten en dan de kans schoon te zien om een doek goed op je in te laten werken. Verster, Gauguin, Redon, Israëls tot mijn grote vreugde, Toorop, Monet, Renoir, Van Gogh natuurlijk, en tussen de sculpturen Zadkine, Giacometti, Picasso. Er viel meer dan genoeg te genieten. Als je het bezoek ook als een kunstwerk op zich beschouwde viel er vanaf zo’n bank veel te observeren. Dagjesmensen, educatieve ouders en of opa’s en oma’s met hun (klein)kinderen, toeristen in alle toonaarden. De bewonderaars, de snelle doorlopers, de dwalers, en volgens Zebedeus, ‘De aarzelaars en de Zekerweters, ze waren er allemaal. Daar tussen door hadden de cipiers hun argusogen opgezet om alles nauwlettend in de gaten te houden.
Op een goed moment, we hadden al ruim twee uur gekeken, zat ons hoofd vol. We besloten om in de beeldentuin een bank uit te zoeken, verder weg van het gedruis. In stilte, oh wat kan stilte zalig zijn, genoten we van de ruisende bomen, de vogels, het wuivende gras, de wandelaars die als miniaturen aan de overkant wandelden, de blauwe lucht en de zon die doorkwam. Maar vooral die rust.
Het was écht genoeg geweest, besloten we. Zelfs de beeldentuin ging er niet meer in. We zouden naar fietsen speuren om makkelijker terug te komen en dat was spannend, want witte fietsen kennen geen andere aandrijving dan de benenwagen. Voor mij nog een dingetje. Het verliep gesmeerd. De wegen waren vlak, de fiets gleed soepeltjes door en alleen bij een hochie -op moest ik een tandje bijzetten. Natuur had haar eigen kunst te pronken gelegd in de gedaante van houten sculpturen, omgevallen bomen, doorgegroeid tot wonderlijke vormen, takken die ter ondersteuning dienden, staketsels die omhoog rezen richting het hemelgewelf, hier en daar afgewisseld met het zich ver strekkende stuifzand en soms zelfs al bloeiende heide. Wat een mooie afsluiting van de dag. Een briesje joeg de rest van de muizenissen een deur verder. We besloten de dag bij het wapen van Odijk, waar nog net een tafeltje voor twee te vinden was. Gelaafd en gelouterd, met veel om over te mijmeren.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.