Overpeinzingen

Een brug te ver

In de ochtend was lief druk met het snoeien en ik voornamelijk met de geest scherpen en het zoeken naar een kamer voor de terugreis. Dat lukte wonderwel, maar pas in de avond. Onze vorige heerlijke adres was al volgeboekt, maar in Zandt in Beieren was een kamer voor weinig. Een klein dorp, laat de foto zien en daarom des te leuker.

Kleine dorpen genoeg hier in de omtrek. Onze eerste wandelervaring sinds lang gingen we opdoen in de Groene Vallei in Ibafa, een dorp dat zo’n half uurtje van ons vandaan lag. De weg er naar toe was op z’n Hongaars, lees met de nodige hobbels, kuilen en vol stof. De natuur er omheen zoals altijd prachtig. Roofvogels in de lucht, die slagschaduw op de autoruit maakten, twee ondefinieerbare watervogels in de vlucht, en het kleine grut kwetterend in het gewas langs de weg. Glooiende heuvels en lieflijke dorpen er tussenin.

Bij het dorp aangekomen zagen we een Hollands kenteken, een wagen met een opschrift van een Nederlands bedrijf. Er werd in diverse huizen flink geklust, ook in het pijpenmuseum, waar achter het oude gebouw een groot en nieuw gevaarte verrees. We vroegen naar de wandelpaden aan een van de bouwvakkers die net naar buiten kwam. Hij keek ons vanonder een dikke rimpel zwijgend aan, en wees toen op het bord aan de overkant, terwijl hij ‘Kart’ baste. Daar hadden we al op gekeken en die gaven alleen de bezienswaardigheden in de omgeving weer, maar geen wegen. De man had er verder niet zo’n zin in. Op de bonnefooi dan maar. De telefoon had geen bereik, dus moesten we wel voorzichtig zijn en goed de weg inprenten. Tenminste, toen we nog het idee hadden een heel stuk te gaan lopen, net als vroeger, ‘de paden op, de lanen in’.

De eerste weg eindigde in de modder. Aan het begin blafte een hond langdurig naar ons en ik meende iemand ‘af’ te horen roepen. Later ook nog ‘Kom hier’. Nederlanders dus. Na een kraal met twee schonkige paarden liepen we de weg terug en namen de volgende weg. Een wit met rode aanwijzing markeerde het wandelpad. Het begon gelijk in stijgende lijn. Weliswaar niet heel hoog, maar voor mijn aangedane longinhoud toch al pittig. De confrontatie was er weer even, zoals altijd als je ontegenzeggelijk tegen de beperkingen aanloopt. Maar stug doorzetten was het credo.

Een verlaten stallencomplex bleek toch bij de een of ander te horen getuige de kudde geiten die langs de achterpoort liepen, daarna hoorden we een enorm gezoem. Het bleek er vol met bijenkasten te staan. Die hadden hier een goed leven want de omgeving herbergde de prachtigste veldbloemen. Hoera, er was een bospad in de schaduw. Alleen een Hollander verzint een wandeling op het heetst van de dag. Ondanks de vele insecten konden we prikvrij doorlopen of liever gezegd kuieren, terwijl ik bij tijd en wijle moest bijkomen. Maar…Het lukte. De top verscheen in zicht en daarbij een prachtig uitzicht over het dal en de heuvels er tegenover. Zoveel vlinders waren er in alle soorten en maten. Ieder had een voorkeursstruik of bloem zo leek het. We zagen bloeiende wikke, slangenkruid, ruige lathyrus, koebraam, distels, klaver en alles werd druk bezocht.

Het pad kwam uit op wat eens een geasfalteerde weg was geweest, maar nu waarschijnlijk volkomen uitgesleten door het water wat van de berg kwam als het regende en in kleine greppeltjes er langs werd geleid en door achterstallig onderhoud. Die weg strandde letterlijk in dikke slik en modder. Tijd om dezelfde weg terug te gaan. Een andere optie was dwars door de manshoge brandnetels. Dat lieten we over aan het wild, waar her en der de sporen van te vinden waren, een afdruk van een hoef, wat platgelegen grashalmen met erachter een ondoordringbaar bos met hele oude bomen, een prima schuilplek dus.

Terug naar beneden waren we niet ontevreden over deze eerste tocht. Langzaam opbouwen is het devies en we weten dat het Mecszek gebergte het nu nog niet gaat worden. Dat is voorlopig een brug te ver.

4 gedachten over “Een brug te ver

Reacties zijn gesloten.