Gisteren zou ik de boodschappen alleen gaan doen en had de belangrijke woorden in mijn hoofd geprent, die ik nodig zou hebben om te kunnen betalen, in het Hongaars natuurlijk. Doorgaans vraagt de caissière: ‘Kartya’. Dan zou ik moeten antwoorden ‘Kartya Val’ en dan kan ik met de telefoon betalen.
Nu zat er een jongen achter de kassa en tot mijn grote schrik zei hij een hele volzin. Ik wuifde met de telefoon en iedere poging, tot vier maal toe, mislukte. We schakelden over op het Engels. Hij vroeg of ik contant geld had. Ontkenning van mijn kant. Ik kon geld pinnen bij de automaat om de hoek. De boodschappen mocht ik laten staan tegenover de kassa. Rode konen, zweet in mijn nekharen, stuntel, stuntel en naar de aangewezen plek. Het bleek dat daar met slechts drie soorten bankpassen gepind kon worden en uiteraard niet met de mijne. Terug naar de man achter de kassa, geduldig wachten op de klanten die aan de beurt waren en in het vizier gaan staan van de beste man, zodat hij zou weten dat ik er was. Ik verontschuldigde me dat het niet gelukt was. Diepe zuchten en een ‘Probeer het nog maar eens dan’. God zij geloofd en geprezen was het schietgebedje naar omhoog, want hij deed het en wel op de telefoon. Pfff, wat een commotie. Het hele Hongaars was verder naar achteren geschoten in het brein.
In de winkel was er kennelijk Oosterse week. Ineens lagen er kant en klare Nasi en Bami-maaltijden in de schappen, was er ketjap te koop, kurkuma en djahe, noodles en instant soep, alsook alles voor sushi en nog wat Indiase kruiden.De sambal ontbrak helaas. Alles lag gebroederlijk naast de Griekse ingrediënten. Het hart maakte een sprongetje, bij het zien van al die bekende waar. Grappig hoe dat werkt.

Thuis was lief nog bezig aan het laatste stukje van de graskanten voor. Hij hanteerde de maaier als een bosmaaier en dat was een koddig gezicht. Zo krijg ik het niet voor elkaar. Natuurlijk was er commentaar van de buren, die dat apparaatje drie keer niks vonden. Het lukte hem uiteindelijk toch. Vandaag haalt hij de overtollige lange takken weg en schoont het verder op.
In de avond keken we de documentaire over Jon Bluming. Wat een verhaal. Als zevenjarige jongen getekend door de tweede wereldoorlog en de verschrikkingen die hij had gezien, groeide hij op als een straatjochie. Hij vocht als zeventienjarige vrijwilliger in de oorlog tegen Korea. Met dat alles tesamen was zijn vechtersmentaliteit een feit. Hij deed aan judo en karate en kon meedogenloos zijn. Hij werd het beest van Amsterdam genoemd. De aanblik van de broze man, die aan Alzheimer en vasculaire dementie leed en volledig naar binnen gekeerd was, stond in schril contrast met zijn vervulde leven. ‘Een man die iedere nacht nachtmerries had’, vertelde zijn vrouw. Dat laatste werd indringend verwoord in de grafische voorstellingen tussen de verhalen door. Goed om te zien dat zijn vechtschool de oude meester met de grootste eerbied onthaalden.
Vanmiddag gaan we aan een wandeltocht beginnen bij Ibafa. Het is een einddorp. Vanuit daar is er een route in een rondje, die ongeveer vier kilometer lang is, niet te moeilijk qua stijgen en met redelijk begaanbare paden. Het wordt een test. Dankzij dochterlief en co hebben we de wandelroutes ontdekt. Lief heeft ze allemaal gelopen, maar vaak op de bonnefooi en alles is een beetje ondergesneeuwd door de corona-tijd, waarin hij veelal thuis zat en alleen voor de boodschappen erop uit trok. Steeds vaker komt alles weer terug in zijn herinnering. Fijn om dat te merken, want er zijn zoveel mooie plekken hier. Natuurlijk had ik zelf initiatieven moeten nemen, maar het verkennen van het thuisfront nam al aardig wat tijd in beslag. Bij de routes staat de klimhoogte aangegeven. Dat is fijn, want heel hoog zal ik niet komen. Wel kunnen we een en ander natuurlijk langzaam opnieuw opbouwen. Ik haalde de Amerongse berg ook per slot van rekening. Waar een wil is, is vaak een weg.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.