Gisteren liep ik te dwalen door het bos van Mariënstein bij Tricht. Ik was daar nog nooit geweest en het verbaasde me hoeveel borden met ‘verboden toegang’ er waren. Bij een hek stonden de regels, waaraan wandelaars zich dienden te houden bij betreding van het landgoed. Een van de regels was dat je enkel de gebaande paden mocht betreden. Toen ik het hek doorging was er alleen weide, aan de vlaaien te zien en er was geen pad te bekennen. Een mens gaat dan wat schichtiger lopen. Een regel, ook al is het fout gesteld, ondermijnd het handelen. Ik liep omzichtig door.

Aan het eind van het weiland en een veld waarop, zo leek het, verschillende duiventillen stonden, was een ander hek en ik schoot het bos in. Er deed zich een eigenaardig natuurverschijnsel voor. Er kraakte en piepte iets zo heftig, dat het leek alsof er een oude staldeur werd open geduwd. Het was een stevig geluid. Ik keek vorsend om me heen om te zien of het soms de houten hokjes op de palen waren, maar het geluid kwam wel degelijk uit het bos. Daar stonden oude grote kastanje en eikebomen, die hun ouderdom krasse taal gaven. Ze waren al wat kalend. Een van hen hing moeizaam tegen zijn buurman. Naar mijn idee, was een van hen zich aan het voorbereiden om af te knappen als een lucifershoutje. Ik vervolgde het pad. Het verbaasde me, omdat de enige voetgangers die ik tot nu toe in de verte had zien lopen, boswachters waren geweest.

Alleen door een bos maakt toch dat er wat alertheid begint op te rullen in de kraag van mijn nek. De pas wordt sneller, er moet naarstig gespeurd worden in vier richtingen. Als je alleen loopt, dan maar helemaal alleen. Ik weet waar het ‘unheimnische’ gevoel vandaan komt.
Jaren geleden, toen mijn oudste dochter 2 jaar was, namen we de honneurs waar voor de bewoners van een grote boerderij met een uitgebreide groente en kruidentuin in Drenthe. Zij gingen op vakantie. Er viel veel te doen, maar tussen het plukken, wecken en jam maken door, had ik tijd om met dochter de prachtige bossen te verkennen. Ook daar reed een mens vaak alleen. Op een dag kwam een man me tegemoet rijden, terwijl ik dochterlief wees op alles wat er om ons heen te zien was. Een gewoonte, die bij het voorzitje wordt geleverd. Dat hij me tegemoet reed, werd ik pas gewaar, toen hij omkeerde en achter me aan ging rijden.
De Trojka.
Kennelijk had hij zich bedacht. Instinctief hield ik het in de gaten. Mijn speurende ogen hadden het opgemerkt en de reden ervoor handen en voeten gegeven. Hij bleef op een afstandje, maar versnelde als ik versnelde, fietste trager als ik dat deed. Het bevestigde mijn gevoel. In razend tempo volgden de meest wilde gedachten elkaar op. ‘Vrouw vermoord in uitgestrekt bos, huilend kind bij lijk van de moeder aangetroffen, raadselachtige verdwijning van moeder en kind’. Met die beelden voor ogen trapten de benen harder en harder, net als die van de schimmige achtervolger en schoot het bospad sneller en sneller onder me door. Het gevaar kleefde in mijn sjaal, onder mijn armen, trok groeven in mijn voorhoofd en hijgend zwoegde ik voort. De dodenrit naar Omsk van Drs. P drong zich aan me op. Mijn machteloosheid ook. Ik had niets om naar buiten te werpen. ‘Trojka hier, trojka daar, overal is paardenhaar’. Wat was ik blij dat ik de eerste huizen van het dorpje weer zag.
Die barre tocht heeft er voor gezorgd, dat ik tot in lengte der dagen op mijn qui-vive ben gebleven tijdens een wandeling of een fietstocht door verlaten gebied. Die sarrekop van destijds heeft mijn onbevangenheid beteugeld met niet aflatende angst. Toch blijf ik dapper erop uit trekken. Mijn moeder zou zeggen: ‘Ik laat me niet kisten’. Of dat op dit moment de juiste insteek is, waag ik te betwijfelen.
Een gedachte over “Ik laat me niet kisten”
Reacties zijn gesloten.