Gisteren was het zover. Zuslief en ik zouden het Singermuseum gaan bezoeken. De vorige keer dat we er waren was het nog een sluip door, kruip door om de auto op het hobbelige grasveldje kwijt te kunnen raken, maar bij aankomst was er al onmiddellijk een gestroomlijnd parkeerterrein met vele vakken meer ruimte, afgesnoept van het braakliggende land erachter. Het kon het hebben en het was in beide gevallen een aanwinst.
filigrein van staal.
De ingang was verplaatst en onmiddellijk viel de grote filigrein olifant op die statig met de opvliegende zwanen de bezoekers aanmoedigden zich toch vooral te laten verrassen met wat nog komen ging. Cuba Art Now was het thema. De Olifanten bevolkten Laren op de hoeken en pleinen van elke straat, want de grote Elephant Parade, die Bangkok, Londen en Amsterdam had aangedaan, was neergestreken in het ontvankelijke dorp. Alles wat kunst vermag en namen met zich meedroeg als Hilfiger, Hardwell en Perry, maar ook met nieuwe beelden van de hand van de Nederlandse illustratrice Gitte Spee, was van harte welkom. Het paste ook bij de vrolijke noot, die de Cuba-tentoonstelling bracht.
Caballero
Ik vond een Caballero terug met prachtige schilderijen, die me sterk aan Michael Borremans deden denken, een landschap waarmee misschien wel het crackelee van Lita Cabellut verklaard kon worden, namelijk overspannen met folie en daar weer over heen geschilderd. Materiekunst met bakblikken of een uit elkaar gesloopte typemachine, bedrieglijk eenvoudige kindertekeningen opgeblazen tot indrukwekkend formaat en kleinoden als de stad der doden van Alejandro Campina.
Willem Dooijewaard: Balinese weefster.
Als slotaccoord waren de werken van Dooijewaard uit het archief gehaald en in volle luister bijgezet. Vooral zijn Indische werken spreken me altijd weer aan en ontroeren ook, misschien omdat het voorgoed tempo doeloe is, misschien ook door de toewijding waarmee de plaatselijke bevolking in haar kwaliteit is neergezet, maar bovenal door zijn mooie losse toets.

De zon brandde en het was een van die uitzonderlijke zomerse dagen in een regenachtig bestaan. De nostalgie van de oude binnentuin van voorheen, grenzend aan het oude woonhuis, was nu strak en naadloos uitgevoerd bij het nieuwe gedeelte, maar het prieel en haar weelderige pergola deden dapper hun best om die oude sfeer vast te houden en slaagden daarin samen met de weelderige bomengroei in het achterste gedeelte. De olifanten stonden er koddig bij, vreemde eenden in de bijt. Een rolstoel werd handig omgebouwd tot rollator, toen de wielen met gewicht stokte in het zompige gras. De stemming was rozig.

Daarna trok de heide. Het eerste wat binnenviel, was het lied van de grote stille heide. ‘Op de grote stille heide, dwaalt een herder eenzaam rond, wijl zijn witgewolde kudde, trouw bewaakt wordt door zijn hond’. En juist daar vonden we de levende invulling terug te midden van de immense, bloeiende paarse vlakte. Het was de perfecte afsluiting van de dag. Hier en daar popten paddestoelen, zwammen en boleten uit de grond op om aan te kondigen, dat het niet zo lang meer zou duren eer de herfst haar intrede deed en ons erop te wijzen dat we mazzel hadden met zo’n uitbundige zomerse dag met al die juiste elementen om domweg gelukkig te kunnen zijn. Op die heide, met dezelfde witgewolde kudde van het begin van de twintigste eeuw.
De Hilversumse hei.
De tijd stond even stil, hei, herder, schaap en hond vlakten met een veeg de tussenliggende jaren uit. In mijn hoofd zong het lied en vannacht dwaalde ik er weer rond met hetzelfde gelukzalige gevoel, dat er nog was toen ik wakker werd. Uitgerust en opgeladen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.