Sluipenderwijs neemt het denken de overhand en dat maakt dat de helft van alles wat er gebeurd langszij trekt. Het is de weerslag op de laatste enerverende weken, de emotionele rollercoaster, de voorbereiding op een andere fase. Gevangen in een denkhoofd, dat helemaal wordt opgeslokt door eigen beslommeringen of eigen verhalen en dromen, net hoe het uitkomt.
Het maakt niet uit, het is de gebruikelijke pas op de plaats, voeding voor de geest. Ga op je hoofd staan onder het eigen schedeldak en zie wat er gebeurt. Muren worden geslecht, langzamer dan gewoonlijk. Natuurlijk maait de grasmaaier het gras tussen de grijze cellen keurig weg en schept ruimte voor nieuwe ideeen, maar vooralsnog dendert ze op pure willekeur, door mijn breintuin heen. Met gevolg dat er inhammen verschijnen in gebieden waar je dat liever niet zou zien en uitwas op andere fronten. Wat gevangen zit, moet vrij. Althans bij haar daar van binnen.
Vannacht schoot er een droom doorheen van school. Althans van de nieuwe situatie, met de berichten over een overspoeld Duitsland op televisie nog warm op het netvlies, trad het water ver buiten de oevers en zwommen kinderen en ouders in dezelfde vaart met de stroming mee. Ik en mijn duo stonden te wachten op de voorrangskruising, waar ze allemaal voorbij dobberden, daarna vloeide het uiteen.
Wij waren gevlucht omdat ons, koeltjes en afstandelijk, werd meegedeeld, dat we ze niet genoeg hadden geleerd, die arme kinderen. Ik had geen muziekles gegeven, maar rare liedjes gezongen met vreemde stemmen en malle gebaren. Zo deed een goed opgeleide leerkracht het niet. Ik had met gedegen oefeningen moeten komen voor maat en ritme. Tijd om de staat op te maken:
Terug denken aan de periode dat ik met een van mijn lievelingsstagiaires, als de rattenvanger van Hamelen voorop en alle kinderen in een grote rij erachter aan, rakelings langs de grote plas bij de verstopte put in het midden van het speelplein sliertten, terwijl iedereen met een blokfluit aan de mond ‘Ik ben zo blij, zo blij’ floten, staccato en op de maat. De blije gezichten, de oplichtende ogen, de overtuiging waarmee ze dapper doorstapten.
Aan de plechtstatige dodenmars voor mol, doder dan dood. Het voortschrijden. ‘Pom, pom, pom, pom, pom, pom, pom, pom, pom, pommmmm’ met mol op het kussentje in een lange rij van droefenis.
Aan de mini-operette in het lied: Koning, mag ik je dochter trouwen, op de wijs van een klassieker in een vraag en antwoordspel. Aan de opgetrokken snuitjes als konijn, als we op visite gingen bij Alice in Wonderland en ‘Te laat, te laat’ zongen, de betrokkenheid en de bevlogenheid om zelf van die malle intervallen te verzinnen.
Aan Ubbi en Frummie waarmee we rechtstreeks omhoog vlogen en aan de geheimpjes die we in onze handen bewaarden. We veranderden in stekelige balletjes als we zongen:’Ik ben een raar gevalletje, omdat ik steeds maar prik’. En met Hakim raakten we, bijna in tranen, steeds weer onze knuffel kwijt, of ging het huisje verhuizen en verhuisden we mee. Het lied van de kleine grijze muis: ‘Ik ben zo grijs, ik ben zo grauw, ik wou, ik wou, dat ik zo was’ als zij keek naar de kleurrijke dieren om haar heen en de bezwering van de ander, dat hij alleen maar grijs en grauw wilde, alleen maar jou’ daar smolten we bij weg.
Muziek doorgeven is vooral het bieden van de beleving. Geen droge opsommingen, geen techniek alleen, maar vooral het doorwroeten en doorvoelen van wat er gebeurt, met je hele ziel en zaligheid, als er een noot wordt aangeslagen of gezongen. Hoe het doortrekt en laat huiveren, de fantasie prikkelt en uitvloeit als een grote golf. Dat is hoofdzaak, de rest komt vanzelf!