Wat is regen toch een wonderlijk fenomeen. Zo heb je er te weinig van en even later weer teveel. En de goegemeente maar klagen. Het is heel simpel. Als ik zin heb in regen is het nooit teveel en als ik er geen zin in heb, is het altijd te veel. Mijn moeder zei vroeger: ‘Zin moet je maken.’ Dan keek ik naar de druipende was aan de lijn, die mistroostig naar beneden hing en zo mogelijk nog natter was, dan was behoorde te zijn, keek naar de piekende haren in het verhitte gezicht van mijn moeder en haar blozende armen, keek naar mijn doelloze handen in mijn schoot, luisterde naar dat stemmetje in mijn hoofd, dat siste:’ Ik verveel me zo’. En weer naar mijn moeder die met haar handen een handdoek wrong tot een droge worst en mompelde dat zin te maken viel. De lust zakte in mijn schoenen en mijn moeder joeg me de bijkeuken uit.
Terwijl we door de natte oude binnenstad van Oldenburg slierten, jaagt het water mijn springerige Hennaharen over de kling en dwingt ze humeurig naar benedeen. Het ergst zijn de natte druppels in mijn nek die onder mijn zwarte sjaal doorglippen en naar beneden glijden met een verkillende uitwerking. ‘Negeren’, denkt mijn stoicijns gemoed, maar vergist zich in het effect.
Kerken zijn in NoordDuitsland allemaal open en dat hebben ze met name gedaan om op die regenachtige dagen toch vooral de toerist een onderdak te bieden. Binnen regent het niet en opmerkelijker, soms is zelfs de kerk verwarmd, iets waar een kerk in Nederand nooit geld genoeg voor heeft. Dat laatste is een kwestie van prioriteiten stellen, maar dat terzijde. Ze bieden er schaarse verlichting, de gouden gloed van weleer en altijd weer de zielekaarsen, maar tegenwoordig zijn kerken bij uitstek expositieruimte. Ken uw pappenheimers. Niet alleen beminde gelovigen maar ook de kunstkenners en zoekers pikken hun graantje mee. Het mes snijdt aan twee kanten, want alle musea daarentegen, zijn wel op maandag gesloten enhet regent pijpestelen.
Een andere schuilplaats werd geboden door de Artshop, de kunstkreiss, die Kunstlerinn, noem het en het was er. Tientallen snuisterijen, echte en vermeende kunst en alles om verzopen katers tegen te gaan, onafhankelijk of het van de Duitse droge sloeberwijntjes kwam of niet. Winkels, ik kan ze na drie dagen niet meer zien. In Italie smeken ze om regen en wij zitten, off all places en people, toevallig net in een immense regengebied in het Ost Friesland. Dat is even slikken voor iemand die al jaren bij machte is de zon te bellen op school en altijd vanzelfsprekend goed weer bij feesten en partijen verzorgde.
De toverformule werkt buiten de schoolgrenzen niet goed. Het is de derde zussenvakantie, die half of heel in het water vallen. Waarom hebben we dan zo’n lol, op het moment zelf iets minder, maar later, als we in een appelflauwte het voorval te voorschijn trekken uit de herinnering.
Het regent tranen. Niet van verdriet, maar van de vele gebbetjes. ‘Het leven is een tranendal’ zei Oma en Moe lachte het weg. Ze zong: ‘Het regent, het zegent de pannetjes worden nat.’ Het zegende van boven naar beneden op ieder die het maar ontvangen wilde. Soms vielen soldaatjes op hun gat en dan weer boerinnetjes op hun kinnetjes, maar altijd bleek het een zegen, voor de tuin, voor het effect als de zon ineens doorbrak en druppels parels werden en omdat er na regen immer weer zonneschijn kwam. Toen we gisteren huiswaarts reden, brak de hemel open en zagen we de zon breed uitgestrekt in gouden gloed beloftevol ondergaan. Ze had gelijk. Een zegen!
Tot morgen.