Straks ga ik met de zussen op stap. Aan de wandel. ‘Hoe bijzonder is dat’, zegt men. Ooit zijn we samen begonnen aan dit leven, ik als oudste het eerst, een jaar later de volgende, twee jaar later de volgende en daarna na twee jaar een tweeling, een jongen en een meisje. Het klapstuk van een reeks van elf. Destijds was dat heel normaal als katholiek gezin. We schrijven de jaren vijftig.
Geen echte wasmachine, geen televisie, geen telefoon, maar wel een patatsnijder, een schoenenpoetsblik, schuiers en mattenkloppers, een wasketel, een wringer, een paddenstoel van hout om sokken mee te stoppen, een naaidoos, een koffiemolen en een snijbonenmolen en pluchen kleden op de tafel en de typemachine, de ansichtkaarten en de vulpennen. We speelden op straat of tussen de was in de achtertuin. We waren ‘de vijf kleintjes’.

De kerk en de kabouters waren belangrijke elementen in de vorming van ons bestaan. De magie van het sprookje, dat zich elke zondag voltrok. De wierookgeuren, de priesters in hun goudbrokaten jurken, de met kamfer en zwart gevulde kerk, zondagse kriebeljurken, kniekousen, latijn dat een tweede taal werd en wat nog steeds opgedreund kan worden. Het theatrale drama met knielen, staan, zitten en weer knielen. Misdienaars die gouden kelken brachten en de bezwerende gebaren en het schrijden van de jurkenman. Het orgel en de liederen, plechtstatig gezongen, het offerblokje dat rond ging en de sok van zwart fluweel aan een lange stok die onder je neus geschoven werd en waar geld in werd gedaan. Zoveel geld, dat je je ogen uitkeek. Het rijke roomse leven.
Als een vis in het water. ( 6 jaar)
De kabouters met Rea aan het hoofd in de blokhut achter de Monicakerk waar we alle basisbegrippen van het spel aangereikt kregen om er later, toen ik voor de groep stond, oeverloos van te profiteren, zo zwaar gevuld was mijn mouw, met ongebreidelde fantasie, een hang naar verhalen en sprookjes en samenzang, een verantwoordelijkheidsgevoel voor de groep in het algemeen en de medemens in het bijzonder, de liefde voor de natuur en al wat leeft.

Zes oudere broers die vaderden en wij als een nest jonge poezen achter hen aan hobbelend of in hun kielzog meegezogen, met schaatspartijen in plusfours met kranten, met kerstbomenjachten, met zwemmen in het Noorderbad, met fietspartijen achter en voorop de fiets. De buurt was een haven, veilig en vertrouwd, waar buren een oogje in het zeil hielden op het grut van elkaar en overal wel een lekkernij te snaaien was. De grote kinderen waakten over de kleinen en zo werden we groot.
Wij bedisselden, kibbelden, deelden, speelden daar tussendoor met als angsten de kinderlokker in het eerste huis bij het braakliggende veld aan de Oudenoord, De bende van de zwarte hand, de tandarts met zijn warmlopende waterboor en zijn grove handen, een losgebroken koe uit het slachthuis achter ons huis en de angst te verdwalen en nooit, nooit meer de weg naar huis te kunnen vinden. Alleen op de wereld als Remy.
Een hele week met de vier meiden en misschien komt broer ook nog langs fietsen. We wandelen, kletsen, winkelen, bezoeken kerken, waar steevast kaarsen worden opgestoken, we delen, we eten, we puzzelen en spelen, we liggen in een appelflauwte van het lachen of discussiëren over het leven en de dagen vullen zich als een warm bad.

Al die jaren trekken samen in die ene week, alle tussenliggende jaren ook, maar vooral dat gevoel van vroeger, je hoorde bij elkaar, was op elkaar aangewezen en nu kan je zomaar de jaren overbruggen en delen met elkaar, herinneringen ophalen, elkaars verhalen aanvullen en nieuwe avonturen schrijven. Die rijkdom, de zaligheid, zussen!
Wat leuk om een kort inzicht te krijgen in je leven!
LikeGeliked door 1 persoon