In een interview van Evelien van Veen met Anna Enquist in het Volkskrant magazine van een paar weken geleden gaat het over het aanwezig blijven van gemis na overlijden en het verdriet daarom. Haar goede vriend Gerrit Kouwenaar was overleden en de interviewer legt voortdurend de link tussen de vriendschap en de dood, maar ook tussen Gerrit Kouwenaar en haar dochter. Haar overleden dochter Margit komt ook in dat boek in beeld.
Aan alle kanten wordt de zaak belicht en de vergelijking gemaakt met de dood van haar goede vriend, maar die gaat mank. Gerrit Kouwenaar was een oude man. Hij overleed na een rijk en gevuld leven op 91 jarige leeftijd. Margit was een jonge vrouw, in de bloei van haar leven en overleed na een ongeluk op de Dam op 27 jarige leeftijd. De dode hoek was de oorzaak van het ongeval. Margit zat in de dode hoek van een vrachtwagen die rechtsaf sloeg. Kon je de tijd maar terugdraaien, een seconde was al genoeg geweest en dan de chauffeur beter laten kijken, maar het leed geschiedde.
In de jaren tachtig was een goede bekende, die in de wijkverpleging werkte, op weg naar een patiënt. Ze zwaaide naar iemand aan de andere kant van de weg en lette even niet op. Ze werd gegrepen door een vrachtwagen die achteruit reed en die haar niet had gezien. Op slag dood. Zo heet dat, op slag dood, maar er gaat leed en lijden vooraf in een fractie van een seconde en in een heel leven van haar man en kinderen daarna. Enquist heeft gestreden voor de dodehoek spiegel, waarvoor de aanvraag om verplichting op vrachtwagens al zeven jaar lag te verstoffen. De man die het uitgevonden had, had zelf zijn zoon bij een dergelijk ongeluk verloren.
De volkomen zinloosheid van dergelijke aanslagen op het bestaan, een kleine onoplettendheid, een achteloos gebaar kan al fataal zijn en tonen de kwetsbaarheid van een leven. Hoe moet je de schrijnende toevalligheid, een eeuwig waarom, een plek geven en de invulling ervan als je steeds blijft bedenken hoe het leven had kunnen zijn met haar.

Doden lopen altijd met je mee. Je kan ze niet buiten de deur houden, ook al probeer je ze nog zo hard te vergeten, door bijvoorbeeld fanatiek te gaan werken of door het weg te drinken. De dag nadat mijn moeder overleden was, besloot ik gewoon naar school te gaan, maar ik vond mezelf terug, zittend als een zombie op het schoolplein, nutteloos, wezenloos, met het zoet houden van de spelende kinderen maar niet meer dan dat. Verdriet heeft recht op tijd. Hoe lang dat duurt is ‘nicht im Frage’.
Anna Enquist vervangt rouw, een woord waar ze een hekel aan heeft, omdat het suggereert dat de pijn overgaat, door kleur. Verlies verandert in verschillende levensfasen van kleur. Het is een prachtig beeld, maar als de interviewer vraagt welke kleur het nu heeft, antwoord ze indirect met een kleur van het verlangen. ‘Als het niet gebeurd was, dan…’ en schrijnt het dieper dan ooit.

Mijn doden zijn mij allen even lief nu ze rond akkeren in die ongrijpbare verte. Net als Anna Enquist heb ik de behoefte om aan ze te denken, over en met ze te praten, over ze te schrijven. Maar niet om ze te onteeuwigen, zoals ze aangeeft, maar om ze te vereeuwigen met een eigen gestalte in mijn hoofd of te verzinnebeelden met de natuur in de havik, de gierzwaluw, de libel, de vlinder, zodat ik ze tastbaar weet op momenten dat het nodig is.
Een gedachte over “Zodat ik ze tastbaar weet.”
Reacties zijn gesloten.