Uncategorized

Kabouters en zo.

De woningbouwvereniging komt zo. Ze komen kijken naar een groot lek op zolder, dat er al zeker een jaar zit. We hebben al twee keer gebeld. Ze zouden het repareren als er een hoogwerker in de buurt moest zijn. Het lek heeft in de zolderbedekking een grillige vlek geslagen, waar menig materie-kunstenaar jaloers op zou kunnen zijn. Zo au naturel maak je ze niet zo gauw. Er zitten spinnenwebben in, grillige mengvormen, koppen a la Buffet, grotschilderingen, mensfiguren tezamen met de druipgrotten van Han door de afvallende schilferingen, die aan draden blijven hangen.

Het ruikt naar nostalgie, een stuk verleden. De oude kelder van de Amandelstraat komt boven drijven, de meisjesschool aan de Boerhaavelaan, de schuur achter het huis met zijn kolen, de kelders van school waar oude kranten in bundeltjes opgeslagen lagen te wachten tot er voldoende verzameld was, maar bovenal ruikt het naar onze oude kabouterhut achter de Monica kerk.

Zodra daar de deur openzwaaide en je als kind de drempel overstapte werd je een andere wereld ingezogen. Die van de mogelijkheden en de maakbaarheid. Daar in die kleine blokhut, die geurde naar vochtige aarde hadden we onze eigen wonderland, de kleine prins woonde er en Eric en zijn hele insectenboekje, Alice huppelde er in het schattige bruine kabouteruniform rond, maar ook Knikkertje Lik rolde binnen tussen alle regels door. Dunne kinderstemmen werd een krachtig koor als we ‘Luid zing ik uit’ zongen. De tekst ligt nog altijd heimelijk opgeslagen achter een van de deuren in mijn hoofd.

Luid zing ik ’t uit,
mijn blij kabouterlied.
Hoe ik eerlijk steeds speel,
me bij het werk niet verveel
en van iedere wand’ling geniet!

‘k Lach elke dag,
de zon behoort aan mij.
Maar al maken we ook pret,
we zijn trouw aan de wet,
we zijn de hoop van de gidserij!

Kom naar buiten om te stoeien,
naar het bos, of naar de hei.
Waar de bloemen bont,
staan op groene weide grond,
en de wind vertelt van zo menig sprookjesheld.

Waar de vogeltjes ons wachten
en de bomen ruisend staan,
daar gunt ons de lust tot werken geen rust,
Kom, PAK TOCH AAN!

Alles was van hout, de kleine ronde tafels met de ronde banken eromheen, de schappen, de kasten, de houten bril van de wc. Alles wat van oorsprong een eigen geur had, werd ingelijfd in die aardsheid. Het bruine uniform, de blouse, de petjes roken allemaal naar de gewijde grond van het kabouterbestaan, waar Rea Klarenbeek de scepter zwaaide. Trouw aan de wet betekende een onvoorwaardelijke liefde voor haar, die zich eeuwigdurend zou nestelen. Twee vingers aan de pet en onze onschuldige blauwe ogen die in haar trouwhartige Rea-bruine brillekijkers werden weerspiegeld. Zij was de rots in de branding, een wandelende vraagbaak, het doekje voor het bloeden, de goede raad en daad, de vertrouwde have. Zolang zij in de buurt was, was geen zee ons te hoog en geen grot ons te diep. We gingen voor haar door het vuur. Rea Klarenbeek was meer nog dan de moeder aller moeders, ze was een godin in een reuzen kabouterpak.

IMG_1468.JPG

Speurtochten, die achteraf niet meer behelsden dan een vierkante meter bos, werden onder haar bezielende leiding een woest woud met reuzenspinnen en kobolden, ridders en toverkollen, misvormde aardwezens, de roep van de galvogel klonk mistroostig en zorgde voor zwijgende stilte, terwijl het hout onder onze voeten met droge tikken knapte. Altijd overwon het goede het kwade en altijd ging de mate waarin de spanning opgevoerd werd, voorbij aan tere kinderzieltjes. We leerden snel.

De man van de woningbouwvereniging is inmiddels geweest. Hij keek erg mistroostig naar het lek en begreep niet dat het al twee keer gemeld is zonder actie. Ik moet binnen twee weken weer bellen als er nog niemand geweest is. Dan gaan ze het dak slechten en weer opbouwen. Kan ik schaamte-vrij iedereen weer op het atelier ontvangen, reukloos en fris. Alleen ik weet nog waar de geheimen uit mijn jeugd zich schuilhouden, gelukkig maar.

 

 

Een gedachte over “Kabouters en zo.

Reacties zijn gesloten.